Blind Proef
Een podcast over koken met een visuele beperking
13 days ago

Rabarberconfituur

Onze nieuwe podcaster Lucy maakt rabarberconfituur met verrassend weinig ingrediënten. We gebruiken minder suiker en voegen pectine toe om de confituur mooi te laten opstijven. Je ontdekt ook welk deel van de rabarber je precies gebruikt, en hoe je de potten achteraf veilig en blindvriendelijk vult. ingrediënten: 2 kg rabarber 700 gram rietsuiker 2 zakjes pectine 1 citroen Benodigdheden: een grote kookpot zonder deksel een snijplank een mandoline (optioneel) een niveaudetector en een trechter om de potten

Transcript
Speaker A:

Hey, welkom iedereen bij een nieuwe aflevering van Blind Proof. Ik heb hier Steven bij mij staan.

Speaker B:

Dat is niet zo interessant, hè?

Speaker A:

Nee, inderdaad.

Speaker B:

Maar we hebben een andere interessante gast.

Speaker A:

Ja, een nieuwkomertje. Lucie, dag Lucie.

Speaker C:

Hallo, dag Jusri, dag Steven.

Speaker D:

Hallo.

Speaker A:

Lucie, jij bent ook een frequente koker. Jij doet dat veel voor gezin.

Speaker C:

Ja.

Speaker A:

En je hebt ook al veel kookervaring. Hoe lang doe je dat eigenlijk al koken?

Speaker C:

Oei, oei. Ik heb dat ooit geleerd in. In een heel ver verleden op school, maar dan was ik er niet zo goed in. Eigenlijk misschien sinds dat ik op kot zit.

Speaker B:

Sinds dat je op kot zat?

Speaker A:

Dan ben je begonnen?

Speaker C:

Ja, dan ben ik zo aan begonnen. En dan natuurlijk mee samen te gaan wonen. Er moet er elke dag gekookt worden. We wisselen elkaar wat af. Degene die hoesting en tijd heeft gekookt.

Speaker A:

Ja, en dus was het een gerechtje waarvan je dacht dat was zo een van mijn eerste dingen die echt goed gelukt waren. Daar was ik trots op.

Speaker C:

Oei, oei, dat weet ik niet meer.

Speaker A:

Dus ze heeft eigenlijk veel gekookt en dat gaat ze vandaag eigenlijk ook weer opnieuw doen. En we gaan toch wel iets bijzonders maken. Ik heb het zelf nog nooit gemaakt. Confituur. Rabarberconfituur. Dus ik zou zeggen, Lucy, wij geven de fakkel door.

Speaker C:

Dankjewel. Nee, zelf confituur maken lijkt misschien moeilijk en ongemakkelijk als je die goed ziet. Maar het is simpel als bonjour. Dat is echt niet moeilijk. En zeker als je fruit uit de hand hebt, of in dit geval is het rabarber, dan is dat leuk omdat je dan eigenlijk confituur kunt maken en je kunt zelf kiezen hoeveel suiker je erin doet. Een van mijn belangrijkste argumenten. Minder zoet en uit eigen kweek. Dus dat is eigenlijk... En wij eten al jaren zelfgemaakt koffie.

Speaker B:

Dat is heel lekker. Dat kopen wij eigenlijk gewoon niet. Mijn grootmoeder en mijn moeder maken dat ook en die geven altijd mee. En je wilt gewoon geen andere.

Speaker C:

Nee, ja. En wij hebben hier bijvoorbeeld zwarte bessen. Wat hebben we nog? Frambozen. Aardbeien ook. Aardbeien koop ik dan meestal wel in de winkel. Nogal een intensief jobje. Dus daar hebben we nooit genoeg van om confituur te maken. Wat ik wel doe, bijvoorbeeld, ik neem rabarber uit een of en ik combineer dat met aardbei uit de winkel.

Speaker A:

Ja, het is al heel mooi. Ik kan zeggen, ik heb een tuin waar alles in staat. Ik heb dat niet. Ik denk Steven ook.

Speaker B:

Nee, ik heb wel een tuin, maar er zat niks in.

Speaker A:

Heb je nu ook versen gaan plukken, die rabarber?

Speaker C:

Het is niet echt een rabarberseizoen. Dus ik heb. De rabarber toen het seizoen was gekast, gesneden. Ik heb een deel al verwerkt in confituur. Ik heb ook een deel weggegeven. Maar ik heb ook een deel ingevroren.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

En dan dacht ik: zal dat dan wel eens doen in de winter? En we zijn in de winter. En eigenlijk moeten we die dringend eens opwerken. Dus ik heb twee zakken van een kilo ongeveer. En ik ga die gewoon allebei in de pot doen.

Speaker A:

Misschien nog wel voor de mensen: hoe ziet dat eruit, rabarber?

Speaker C:

Rabarber, dat zijn. Grote planten.

Speaker B:

Stengels, hè?

Speaker C:

Dat zijn stengels met grote blaren aan. Als er een bloem aankomt, dan zijn er ook nog grote stengels. Maar allemaal van die kleine bloemetjes, die moeten gewoon afknippen. Anders gaat alle energie van uw plant in de bloem. Dat is niet de bedoeling. De blaren moeten ook zeker afknippen, want dat is vergif. Dat is heel goed tegen bladpluizen en zo, maar daar mogen we zelf niet van eten, want dan gaat het gewoon dood. Dat is echt dodelijk. Maar de stengels zijn. Wel nogal zuur. Ik zou daar nooit rauw op eten.

Speaker B:

Nee, ik vind het ook wel zuur. Je moet er toch wel suiker bij doen.

Speaker C:

Ja, ja, ja. En je kunt daar ook de cake doen of taartjes mee bakken.

Speaker B:

Het heeft een speciale smaak.

Speaker C:

Rhabarber kunnen we niks vergelijken.

Speaker B:

Nee, oké.

Speaker C:

Dat is echt, voilà. Ik vind ook dat je dat eigenlijk in de winkel niet moet kopen, want dat is keiduur. En je kunt dat echt, als je een beetje tuin hebt, als je de juiste grond hebt die nu nog, want je moet een beetje zien, dat groeit niet overal. Hier toevallig wel, en dat woekertier, dat zijn mega planten en we hebben altijd te veel. Dus dat is gewoon gratis. Die stengels uittrekken, het blad eraf snijden en het stompje van onder snij ik er ook af. En dan zien dat er geen beestjes of zo, je kunt dat wel wat voelen. Alle stukken waarvan je denkt dat is verdacht, snijden weg. Maar meestal zijn die wel glad, die stelen. Dan was je die af en dan snijd je die in blokjes van een centimeter of zo. En dan kun je daar compot van maken, of in dit geval confituur. Of je doet twee stengels in een cake. In plaats van appelcake maak je rabarbercake. Je vervangt de appels door de rabarber. En mijn kinderen vissen die daar dan uit, want die vinden dat niet lekker.

Speaker B:

Ah ja, ja, ja.

Speaker C:

We vinden het alleen de deel op.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Maar voilà.

Speaker A:

Opties genoeg eigenlijk dan. En wij houden het vandaag wel bij de confituur. Misschien dat we nog eens terug bij jou komen voor de rabarbercompot. Oh ja. Maar dan gaan we dus niet meer starten. Wat hebben we eigenlijk allemaal nodig?

Speaker C:

Een grote kookpot zonder deksel. Op confituur mocht je nooit een deksel zetten.

Speaker B:

Waarom niet?

Speaker C:

Dat mocht overdammen en dan zit je met de gebakken peren in je kookvuur. Pak je naar barbers in.

Speaker B:

Ook niet half een deksel erop?

Speaker C:

Nee, geen halve deksel. Ik heb rietsuiker genomen en ik heb ook wel pik. Pik Plus, dat zijn.

Speaker B:

Dat ken ik niet eigenlijk.

Speaker C:

Ja, dat is eigenlijk. Ik ga het even tonen. Dat is een doosje zoals dat lijkt op Royco minuutsoep. Zo'n doosje is dat. En daarin zitten zakjes, zoals de poeiersoepjes. Maar het is dus geen soep, het is spek. Als er brokjes in zitten, is het soep. Als het poeierken is, dan is het...

Speaker B:

Is dat een speciaal soort poeder of zo?

Speaker C:

Dat is eigenlijk van fruit. Dat wordt gemaakt in een fabriek. Dus dit is de suiker? Dat is gewoon een pak?

Speaker B:

Gewoon een pak, ja.

Speaker C:

Het is al open, er valt wat uit, maar er zit nog genoeg in. En het is heel gemakkelijk te onthouden. Als ik mijn confituur maak, doe ik eerst de pek in en dan pas de suiker.

Speaker A:

Misschien een vraagje.

Speaker C:

Als je dat niet kunt onthouden, de P komt voor de S. Ja, oké.

Speaker A:

Want suiker, dat kennen we, dat hebben we al geproefd. Maar pek, kan je dat iets zeggen?

Speaker C:

Pectina. Pectina is een dikmaker. Dat gaat uw confituur doen. Dat is eigenlijk gelijk een sausverdikkelaar.

Speaker B:

Zoals maïzena.

Speaker C:

Maar in confituur doet die geen maïzena.

Speaker B:

Nee, nee.

Speaker C:

Daar doet de pek. Nu ga ik mijn rabarber die al allemaal netjes gewassen, gesneden, diepgevroren enzovoort. Ik ga gewoon die zakken nemen en ik pak die diepgevroren in mijn pot.

Speaker B:

Ja, absoluut.

Speaker C:

Ik pak nog een zak. Ik doe in zo'n grote pot. Hoe groot is die pot? Ik kan iets voelen misschien. Dan voelt je wat voor een grote pot dat is. Dat is echt wel een grote pot.

Speaker B:

Ja, oké. Pas dat pot, ja, inderdaad.

Speaker C:

Zeven uur.

Speaker B:

Ja, ze zijn juist koken.

Speaker A:

Ik denk dat je daar wel verschillende confituuties in hebt.

Speaker B:

Daar maak ik mijn volle val in, bijvoorbeeld.

Speaker C:

Maar daar mag ik maximum twee kilo in doen.

Speaker B:

Ja, dus nu is twee kilo bij drie.

Speaker C:

Ja, maar ze geraken er niet in.

Speaker B:

Omdat ze te groot zijn, ja. Ik ga ze een beetje met de handen uit elkaar halen.

Speaker C:

Dat is ook nogal goed, dacht ik.

Speaker B:

En als je die gewoon laat het vuur oplaten, dan gaat het ook van zichzelf wel verdwijnen.

Speaker C:

Ik ga die neerstellen. Ik heb er een halve op zitten en een tweede zit hier ook tussen.

Speaker B:

Maar dit is dus twee kilo hè? Dat is twee kilo, maar meer zou ik niet doen.

Speaker C:

Want dan hebben we te vol.

Speaker B:

Er moet nog van alles bij ook hè?

Speaker C:

Ja, er moet nog suiker bij. Er moet nog best veel suiker bij en dan neemt het ook volume.

Speaker A:

Dus Lucie, je hebt net je vuur opgezet. Dat is een inductievuur?

Speaker C:

Ja, dat is een inductiekookplaat. En ik heb het denk ik op zeven of zo staan.

Speaker B:

Je hebt negen standen? Ja, ik heb er ook zo eentje.

Speaker C:

Ik heb iets gehaald.

Speaker D:

Draaiknoppen?

Speaker B:

Ja, draaiknoppen.

Speaker C:

Maar ik ga eens proberen of ik het niet al wat kan losmaken via mijn blok.

Speaker B:

Of met een vork of zo?

Speaker C:

Nee? Ik doe dat met mijn handen.

Speaker B:

Ja, ook.

Speaker C:

Dan heb ik daar een beetje in de hand en dan voel ik waar die stukken naartoe vliegen.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Het gaat wel.

Speaker B:

Ondertussen is de rabarber aan het smelten of aan het loskomen. Ontooien, ja.

Speaker C:

Ik ben hem een beetje aan het helpen, want het is een stevige blok. Het is nogal volumineus in mijn kok, maar als dat plat gekookt gaat zijn, gaat dat wel slinken.

Speaker B:

Zoals spinazie of witloof.

Speaker C:

Ik ga hem ook niet te hard zetten, want dan kan de onderkant beginnen verbranden terwijl de bovenkant nog bevroren is. Dus vanaf dat het allemaal los is. Oei, ik heb al een stuk op de grond. Dat is niet erg. Daar rapen we wel op.

Speaker B:

Het kan ook een idee zijn voor in de toekomst, als je dat zou willen maken aan de luisteraars, dat je gewoon al een paar uur ervoor in je potten zet of zo. Dat is ook een mogelijkheid, dat onttuiten.

Speaker C:

Ja, dat had ik moeten doen.

Speaker B:

Nee hoor, maar het is geen verwijt. Maar dat zijn dingen waar je soms ook gewoon niet aan denkt.

Speaker C:

Ja, dat is een goed idee. Zo, ik zal wel eens kijken of ik er met de lepel in kan roeren. Ik heb een grote houten lepel.

Speaker B:

Dus je gaat dat nu losroeren een beetje.

Speaker C:

Ja, een beetje misschien of het aan de onderkant kan.

Speaker B:

Dat moet goed warm worden.

Speaker C:

Dat de onderkant al wat besmolten is en de bovenkant nog niet. Ik ramel er wat in. Maar ik moet mijn pot stevig vasthouden, want het is nog helemaal niet echt ontdooid. In dit stadium zou ik er misschien wel een deksel op kunnen doen.

Speaker B:

Ja, dat het sneller gaat dan.

Speaker C:

Dat het sneller zou gaan. Maar vandaag dat het echt begint te koken, niet meer. Terwijl dat hier allemaal op zijn gemakste ontdooit, ga ik nog een andere ingrediënt. En dat is een citroen.

Speaker B:

Een citroen, ja. Dus je maakt het een beetje zuurder dan? Nog zuurder. Ja, eigenlijk wel. Ik wou het eigenlijk niet zeggen, maar nog zuurder, ja.

Speaker C:

Ja, maar het is wel een beetje een speciale combinatie. Er is al zuurder nog citroen bij.

Speaker B:

Ja, ja.

Speaker C:

Maar citroen geeft ook een frisse touch aan.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Ik ga zowel het sap er al bij doen en dan ga ik de geraspte schil er ook bij doen. Want dat moet meer op het einde. Ik heb hier een snijplanksje. Ik ga de chookjes van mijn citroen snijden, zodat het uiteindelijk is. Waar het steeltje heeft gezeten enzo, dat moet ik niet hebben.

Speaker D:

Voilà.

Speaker C:

Maar jij riekt al.

Speaker B:

Ja, maar ik wou het ook net zeggen.

Speaker C:

Ik snijd er gewoon twee mini-stukjes uit. Nu ga ik mijn rasp nemen van de worteltjes.

Speaker B:

Ja, die ken ik ook nog van vroeger.

Speaker C:

Een mandolina. En ik ga mijn hiermee.

Speaker B:

Kan je het ook oplossen, Lucie, met gewoon citroensap? En dat is het dan. Want ik kan mij inbeelden dat de luisteraars misschien zeggen: van dat vinden we niet zo.

Speaker C:

Ja, maar dan heb je die schil niet.

Speaker B:

Nee, en dat vind je wel. Belangrijk, omdat er heel veel smaak in zit. Ja, dat is echt de aroma van je citroen.

Speaker C:

Je moet het echt wel met een bio-citroen doen. Want een citroen die bespoten is, dat mogen we niet raspen, dat mogen we niet opeten. Dus het is een bio-citroen. Wel opletten, want die worden veel sneller slecht dan gewone citroenen. En ik ga die nu gewoon raspen. Ik pak die citroenrasp en ik rasp die. Met de worteltjesrasp, de fijnste rasp waar je ook kaas mee kunt raspen. Een beetje de schildertak aan het onderste laagste van de schildertak stoppen.

Speaker B:

Ja, dus een rasp is eigenlijk een heel ruw toestel met een ruwe oppervlakte. En dan schraap je eigenlijk daar dingen af.

Speaker C:

Dus ik ga hem eens omdraaien. Ik draai er regelmatig mee dat ik niet tot vroegfeest. Nee, zover moet het niet gaan. Ik doe gewoon het bovenste schilletje eraf doen.

Speaker B:

Ja, en dat zijn dan eigenlijk schilvertjes die er zowat uitkomen.

Speaker C:

Ik doe één citroen voor twee kilo pret.

Speaker B:

Oké, ja.

Speaker C:

Je kunt citroenbomen ook zelf houden als je dat wilt.

Speaker A:

Is dat moeilijk om te onderhouden?

Speaker C:

Maar je moet het wel in de winter zeker binnenzetten. Ja. En dan ook nog water blijven geven en zo. Het is een beetje fragiel wel van planten.

Speaker A:

Je kan het heel hard ruiken, die citroenbomen. Ja, ik vind dat wel een verfrissende kleur. Het is ook altijd heel lekker in de setjes.

Speaker C:

Zal ik nog iets roeren in mijn pot rabarber?

Speaker B:

Ja, waarom niet?

Speaker A:

Ik denk dat die wel ondertussen.

Speaker C:

Nou, dat is nog niet. Het is echt wel een grote massa en het is een grote pot. Misschien moet het toch wat hoger zitten. We zullen eens kijken. Zo, één ding kan hoger. Oké, ik heb een beetje schil, niet zoveel, want de rest is wat te versleten. En de rest van de citroen. De citroen ga ik persen. Ik ga die citroen even in mijn hand snijden.

Speaker B:

Ik denk dat ik nogal snel zou zeggen: ik doe er gewoon met citroensap bij, omdat dit wel heel veel werk is.

Speaker C:

Ik vind dan twee keer niks.

Speaker B:

Maar voor een beginnende koker misschien.

Speaker C:

Voilà, mijn citroen ben ik nu aan het. Ik heb hem niet meegesneden en ik pers hem uit op mijn citroenpers. Maar als je dat allemaal niet graag doet, dan pak je citroensap uit. Maar dan heb je de schil niet.

Speaker A:

Nee, en het riekt ook pak lekkerder.

Speaker B:

Ja, tuurlijk.

Speaker A:

Het is goed dat je weet dat het op de beide manieren kan.

Speaker C:

Ik weet niet, met zo'n flesje citroensap heb ik niet geprobeerd.

Speaker A:

Ik vind het toch wel bitter geconcentreerd.

Speaker B:

Ja, ik vind het wel. Alleen bitter niet, maar zo. Maar oké.

Speaker C:

Citroensap helpt ook bij het dikken van de koffie.

Speaker B:

Ja, oké. Ik hoor nu zo wat persen, zoals een sinaasappel dat je erbij gaat persen.

Speaker A:

Om het even te kaderen voor de mensen thuis. Je draait er mee op een.

Speaker B:

Ja, dat is zo.

Speaker A:

Ze is eigenlijk al bijna aan het dansen, dames en heren.

Speaker B:

Dus je draait dat eigenlijk met je hand links-rechts, links-rechts. Dat is een persen.

Speaker C:

In mijn groenbak. Zo.

Speaker A:

Dat is gecomposteerd ook blijkbaar.

Speaker C:

Compostbak. En dan kap ik het citroensap al bij mijn rabarber. Ja. Voilà, dat mag er al bij. Ik hou wel een beetje mijn hand erboven dat ik geen pitjes. Ja. Want het sap, het is veel sap, maar er zitten wel wat pitjes in.

Speaker A:

Kan je dat misschien oplossen met een zeefje?

Speaker C:

Er zit een zeefje op, hè? Oké, ik ga nog eens roeren in mijn.

Speaker D:

Confituur.

Speaker C:

Ik heb er citroensap bij gegoten. Het is aan het pruttelen.

Speaker B:

Ja, ik hoor het ja.

Speaker C:

Het pruttelt. Het pruttelt.

Speaker D:

Oké.

Speaker B:

Dus de rabarber is helemaal. Ik raak hem ook heel hard. Ja, dus helemaal geontooid.

Speaker C:

En mijn pot is nu nog maar het een derde gevuld.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Waar dat hem daar straks echt bomvol zat.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Is hem nu nog maar een derde.

Speaker B:

Omdat dat dus ook slinkt, hè? Dat had gezegd. Dus dat is mooi.

Speaker C:

We gaan dat hier lekker laten pruttelen.

Speaker B:

Ja, en dus citroen is erbij.

Speaker C:

Citroen is erbij. Ik ben er nog even met mijn lepel in aan het rollen.

Speaker B:

Ga je er nu al suiker bij doen?

Speaker D:

Nee, nog niet.

Speaker B:

Dat is op laatste.

Speaker C:

Dus nu moet eerst dat fruit, de rabarber, plat koken eigenlijk. Tot ik echt een soort compotachtig iets heb. Dan doe ik er de pek bij.

Speaker B:

Ja, het verdikkingsmiddel. Verdikkingsmiddel, tot dat het terugkookt.

Speaker C:

Dan ga ik eigenlijk bijna stoppen met koken. En dan doe ik er daarna de suiker bij. En dan laat ik het aantal minuten koken van het aantal volume dat ik heb. Dus als ik 2 kilo fruit heb en ik doe er nog 700 gram suiker bij, bijvoorbeeld, dan heb ik 3 minuten dat ik moet laten koken.

Speaker B:

Heb je daar dan een idee van? Nu doe ik er de suiker bij, nu doe ik er de suiker De pik bij. bij of eerst de pik en dan de suiker.

Speaker C:

Ja, altijd eerst de pik. Het is een beetje soms voelen en ik vraag het soms ook wel eens aan mijn huisgenoten: zou dat al goed zijn?

Speaker B:

Ja, en hoe zien ze dat dan? Hoe kan je dat?

Speaker C:

Wat is het verschil als je er nu dus de pik te vroeg bij doet, dan is je fruit nog een beetje meer in stukjes. Of als je het te laat in doet, ja, dan is ze echt helemaal plat gekookt.

Speaker B:

Ah ja, en dat mag ook niet dan.

Speaker C:

Eigenlijk maakt dat niet zoveel uit. Het moet wel een minimum goedkoper zijn. Het moet wel.

Speaker B:

Liever te veel dan te weinig, eigenlijk.

Speaker C:

Ja, dan is uw confituur een beetje anders. Aardbeien bijvoorbeeld gaan heel rap plat zijn.

Speaker A:

Ja?

Speaker C:

Ja, aardbeidjes zijn heel rap plat. Maar frambozen, abrikozen, dat duurt wel langer.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Dat is hier gewoon aan het koken. Je zou de dampkap kunnen opzetten, want er komt damp uit mijn pot. Je kunt daarboven komen voelen als je wilt. Dus je voelt echt al dat het dampt. Als je niet goed dat gepruttel hoort, kun je het ook voelen aan de damp. Maar ik zal dat iets doen, maar dan gaat dat zeggen: nee, zet dat maar terug af.

Speaker B:

Ja, anders voor de podcast gaat dat te veel lawaai maken.

Speaker C:

Dat is veel lawaai. Het is een zeer lawaaierige dampkap, dus die zetten we even af. Ik ga het wel wat in dooghouden, dus ik blijf er zo wat bij staan. En als ik hoor dat het begint zo te doen. Dan moet ik er iets in roeren, want anders gaat het aanbakken. En ik ga misschien mijn vuur al iets lager zetten. Ik heb het een klein beetje lager gezet, terug op zes of zo. Want aangebrande confituur is niet echt lekker. Ik ga ondertussen, terwijl dat staat te pruttelen, mijn suiker al wegen. Ik heb hier mijn weegschaal. Hoeveel suiker doe je daar nu in? Voor zo'n één pakje pik, dat is voor één kilo fruit.

Speaker B:

Ja, dus je hebt twee.

Speaker C:

Eén zakje pik is voor één kilo fruit. Dus ik heb twee zakjes pik voor twee kilo fruit. Voor één zakje pik mocht je maximum 500 gram suiker gebruiken. Dus voor een kilo fruit maximum 500 gram suiker. En ik doe er eigenlijk dan nog minder in. Ik doe 350 gram. Voor 1 kilo fruit, dus ik ga 700 gram wegen. Voor 2 kilo.

Speaker B:

Fruit bedoel je dan in dit geval de rabarber of bedoel je dat ook voor ander fruit?

Speaker C:

Alle fruit.

Speaker B:

Alle fruit?

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Eender welk fruit. Normaal gezien, het klassieke recept, als je geen pek gebruikt, dan gebruik je 1 kilo suiker voor 1 kilo fruit.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Dat is veel. Ik vind dat veel. Maar dan is echt suiker ook als dikingsmiddel.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Maar aangezien je die heb ik gebruikt, kun je er minder suiker in doen. Dat vind ik er goed aan.

Speaker B:

Hoort het? Ja.

Speaker D:

Hoort dat? Wacht hè.

Speaker C:

Hoort je dat het zo begint te doen? Dat wil zeggen dat het vocht bijna weg is. Dus ik ga het nog een klein beetje lager zetten.

Speaker B:

Ja.

Speaker D:

Zo.

Speaker C:

Want anders gaat het echt wel aanbranden. En ik ben er ondertussen nog wat aan het roeren. Dus nu is het echt wel wat kompottig aan het worden.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Ja, maar ik ga toch nog een beetje laten opstaan, want het is zo nog net iets te.

Speaker B:

Nee, zoals je zelf al zei, liever te veel dan te weinig gekookt.

Speaker C:

Een beetje nog wel laten koken.

Speaker D:

Voilà.

Speaker C:

Zo, ik schud met een lepel af en ik leg je op de pot.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

700 gram.

Speaker B:

Dat kennen we, dat wegen ondertussen.

Speaker C:

Dat gaan we doen. Ik vind dat altijd veel suiker.

Speaker B:

We kennen nog iemand die dat zou zeggen bij ons. Inderdaad. En Matthias?

Speaker C:

Oei, er moet nog eens in mijn pot geroerd worden.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Ga maar eens doen, hè.

Speaker B:

Voilà, ik heb er wat in geroerd ondertussen.

Speaker C:

Super, en ik heb mijn suiker. Die is afgewogen. Ik zet mijn suiker aan de kant. Ik zet mijn suikerpot klaar. En ik zet mijn weegschaal weg. Ik heb die niet meer nodig.

Speaker B:

Voilà, het is al moesig aan het worden.

Speaker C:

Ja?

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Het is echt wel moesig.

Speaker B:

Ik klep hem terug hier aan de kant. En ga je dan nu ongeveer de pek erbij doen?

Speaker C:

Ja, ik denk dat hem genoeg.

Speaker B:

Het leek me wel vrij moesig.

Speaker C:

Ja, het is goed. Het is echt kompotten. Ja, oké, we doen de pik erbij. Nu, het belangrijkste is bij de pik dat je die heel goed daaronder roert.

Speaker B:

Ja, ja, zoals mag je zien, dat dat niet begint te klonteren en zo.

Speaker C:

Dus ik snij dat eerste zakje, ik scheur dat open. Ik doe het wat open met mijn vingers. Ik hou het aan de onderkant vast en ik schuut het uit boven mijn pot. Alles eruit is.

Speaker B:

En nu direct beginnen roeren. Een beetje snel wil ik zeggen dat het. Goed mengt.

Speaker C:

Al die poeier wegwerken.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Met nog aan het roeren. Ja.

Speaker D:

Voilà.

Speaker C:

Zo.

Speaker D:

Voilà.

Speaker C:

Roer, roer, roer. Een keer ook goed aan de randen.

Speaker B:

Ja. Het midden ook niet vergeten.

Speaker C:

Het midden niet vergeten.

Speaker A:

Heel belangrijk.

Speaker C:

Heel belangrijk. Zo. Ik heb dat geleerd van de podcast over de soep. Ja, ik wist dat allemaal niet. Oké, ik schud mijn lepel nog eens af en ik pak mijn tweede pakje. Zo, ik laat dat hier gewoon even liggen.

Speaker B:

Ja, ja, ja. Of in de potbak of in de.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Boven mijn. Dat is papier, hè? Ja. Zit hem uit boven mijn pot. Ik begin te roeren. Ik zal dat zebus wel opruimen.

Speaker B:

Nu gaat dit voor natuurlijk, hè?

Speaker C:

Dit gaat even voor. Je moet je prioriteiten kennen in de keuken. Ja, dat is zo. Maar je gaat zien, dat stopt eigenlijk niet mee koken. Dat blijft gewoon doorpruttelen en dan kunnen we vrij snel de suiker hierin doen. Dan moeten we het even drie minuutjes laten doorkoken en dan kunnen we de potten vullen.

Speaker B:

Dan zijn we vrij snel klaar. Ja, vrij snel klaar. Ik ga dat ook eens proberen, toch hoor?

Speaker D:

Echt?

Speaker B:

Zie je wel weer iets meer suiker?

Speaker C:

Ja, dat is kwestie van smaak. We gaan die straks proeven.

Speaker A:

Bij die mensen gaat dat een zak suiker zijn.

Speaker C:

Maar als je die 350 gram suiker per kilo drinkt, dan gaat je zien hoeveel suiker dat eigenlijk al is. En dan denk je van, oeh, dat is precies hier zo. Als je die suiker erbij hebt, dat is op precies gergamel. Gevoel vind ik ik.

Speaker B:

Ja, je moet er daar wel nog wat proeven natuurlijk.

Speaker C:

Ja, ja. Nu laat ik dat even sprutelen. Ik doe ondertussen mijn vuil weg. Ik voel dat mijn confituur al aan het dik worden is.

Speaker A:

Ja, oké.

Speaker C:

Aan de lepel, als ik roer, dat is al een dikkere massa. Ik heb meer weerstand.

Speaker A:

Zeg je dan over die.

Speaker C:

Die bek werkt al.

Speaker A:

Die dikkere massa, Lucie. Ik heb mij laten vertellen dat sommige mensen een beetje schrik hadden omdat confituur wel heel warm is.

Speaker C:

Ja, dat spittert wel eens. Ja, dat is wel zo. Ik hang niet boven mijn kookpot. Dus ik sta een beetje ver van mijn kookpot. En ik probeer het spitteren ook wel voor te zijn door mijn vuur niet al te hoog te zetten.

Speaker B:

Ik snap het ook wel. Je wilt dat niet in je oog hebben of zo.

Speaker C:

Nee, niet boven uw oog. Wat ik nooit doe, is boven mijn pot gaan hangen met mijn neus om te rieken of om dichtbij te gaan kijken.

Speaker A:

Het is wel heel warm waarschijnlijk.

Speaker C:

Als je slecht ziet, zeggen sommige mensen. Gaan met hun hoofd boven de pot hangen om eens te gaan kijken. Doe dat niet met confituur. Dat is warm. Maar dat is gewoon ook zoet en zuur in dit geval en dan verbrandt dat nog meer. Dat is zoals tomatensoep. Dat hoeft gek niet zo warm te zijn, maar omdat dat aan zuur is, verbrandt dat meer. Dus pas daarmee op. Dus ik hang niet met mijn hoofd boven mijn kop en als dat een keer op mijn vingers spit of zo, direct onder de koukeraan natuurlijk. Flamazine in huis hebben.

Speaker A:

Even misschien een paar stapjes achteruit, want voor iets weten.

Speaker C:

Nu ga ik de suiker erin gieten.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

En die suiker gaat dus eigenlijk. Nu is dat. Ik doe de helft, of twee derde erin.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Nu moet ik die er ook onder roeren.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Dan wordt dat. Nu is dat. Dat wordt lopend, hè? Dat lost op.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Dus dat gaat mee in die massa.

Speaker B:

Dus de suiker is er nu bij, hè? Ja.

Speaker C:

Nog niet alles.

Speaker B:

Nog niet alles. Dus je doet het ook geleidelijk aan.

Speaker C:

Twee keer.

Speaker A:

Ja, oké. Je moest toch al horen gieten.

Speaker C:

Ja, in twee keer of zo doe ik dat.

Speaker A:

En waarom? Is er een specifieke.

Speaker C:

Ja, omdat dat anders te veel is. En dan krijg je dat er niet goed onder gemengd. Ik meng eerst het eerste deel erin en dan het tweede deel. Dat is zoals.

Speaker B:

Zoals bloem bij cake. Als je brood maakt.

Speaker A:

Je ziet dat er twee in de keuken staan.

Speaker C:

Of water bij brood. Voilà. Nu doe ik het tweede deel suiker erbij. Dus het eerste deel is er al ingemengd. Nu is dat niet meer aan het koken. Nu is het niet meer zo warm, omdat er dus veel massa bij komt.

Speaker B:

En dat moet nu terug een beetje.

Speaker C:

En ik ga dat misschien ook wel terug wat warmer zetten. Maar ik ga eerst met het suiker mengen. Zo. Voilà, voilà. Hoort je de korreltjes?

Speaker D:

Ja, de korreltjes.

Speaker C:

Voilà, dus zo. En dan krijgen jullie straks een potje mee naar huis.

Speaker B:

Voilà.

Speaker C:

Maar we hebben heel veel confituur nog in de kast. Staan en ik maak er altijd te veel naar van wat wij opeten.

Speaker B:

Ja, maar je kan dat ook wel makkelijk.

Speaker C:

Je kunt dat lang bewaren, je kunt dat wel gemakkelijk een jaar bewaren.

Speaker B:

Zeker in de koelkast gewoon, want of kan je dat invriezen?

Speaker C:

Nee, dat zou ik niet doen. Als hem open is, moet je hem in de koelkast zetten en dan wordt dat wel iets krapper. Slecht als je dat drie maanden laat staan of zo, of met wel mes erin zit, alleen zo. Maar gewoon. Toe, goed is afgesloten. Dan kun je dat wel een jaar of zeker in je kast zetten. Oké, ja. En je zet er dan zo net die kitchen. Wij zitten er altijd net die kitchens op met het jaar waarin we hem gemaakt hebben.

Speaker B:

Ah ja, tuurlijk. Bij de oudste beginnen.

Speaker C:

Ja, en dan beginnen we.

Speaker A:

Ik denk ook wel echt, het heeft zowel de geur van.

Speaker B:

Van een barber.

Speaker A:

Ja, barberen.

Speaker B:

En citroen een beetje.

Speaker C:

Citroen, hoe dat jij dat zegt. Nu ga ik even schilderen. Ik ga die rasp erbij.

Speaker B:

Die was er nog niet bij, zeg.

Speaker C:

De citroen zat wel, maar de rasp. Ja, die gaan we er nu bij doen.

Speaker D:

De finish.

Speaker B:

Dat kan ook geen kwaad dat het er nu pas bij is nu.

Speaker C:

Nee, nee, de rest mag echt op het einde. Voor de laatste kopbeurt.

Speaker A:

Doet dat iets extra voor de smaak?

Speaker B:

Ja. In de schil zit wel heel veel.

Speaker C:

Oké, ik heb mijn vuur een beetje hoger gezet nu. Dus de suiker zit er goed in geroerd. Het citroenschrapsel van de citroenschrapsel. Het verschil zit erbij in. Ik heb er nog eens in geroerd. Ik ga nu mijn lepel even eraf doen. En ik ga ondertussen al mijn potjes klaarzetten. Ja. Ik heb die... Oh ja, heb je dat hier bloep gehoord? Dat is precies een vriezer. Bloep, bloep.

Speaker D:

Hoort het?

Speaker A:

Ja.

Speaker C:

Dat is eigenlijk... Nu is het gevaarlijk. Nu moeten we oppassen.

Speaker B:

Ah, je bedoelt in de pot. In de pot, hè. Ja, dan begint het wat te spatten, hè.

Speaker C:

Ja, nu begint het wat te spatten.

Speaker B:

Ja, we gaan het even laten horen.

Speaker C:

Ja.

Speaker B:

Dit hè?

Speaker C:

Ja, hij is echt wel dik met een confituur.

Speaker A:

Ja, dan al duxen we.

Speaker C:

Ja, zo. Daar moet je echt wel wat oppassen, want nu kunnen er wel wat spitters uitvliegen. Dus blijf maar wat van de pot weg. Af en toe nog eens roeren. Ah, nu moeten we misschien. Het is echt wel dikke pap. Het is echt wel dikke confituur. Ik ga nu de minuut 3 opzetten. Of mijn kook in het oog houden, wacht hè.

Speaker B:

Je had gezegd twee minuten of nee?

Speaker C:

Drie minuten.

Speaker B:

Drie minuten? Drie minuten, oké.

Speaker C:

Oké, dat zegt hem. Oké, om zeventien na gaan we. Nu ga ik wel proper werken, dus ik ga een schotel opnemen.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Mijn aardig stukje zacht kaas. En mijn potjes staan al klaar. Ik heb mijn potjes afgewassen.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Ik heb die niet gestruggen gezien. Je hebt dat niet nodig. Maar ik heb op voorhand al de potjes en de deksels samengelegd.

Speaker D:

Ja.

Speaker C:

Dat ze goed op elkaar passen.

Speaker A:

Maar die kan wel nodig zijn als je hier nog alles moet gaan beginnen klaarleggen. Komt dat niet goed, denk ik?

Speaker C:

Ik heb ze wel helemaal aan de achterkant van mijn aanrecht gezet.

Speaker B:

Ja, dat is te horen.

Speaker C:

Dat ik ze niet van mijn aanrecht zie.

Speaker D:

Ja.

Speaker B:

En dus om 17 over. Drie gaan we potten vullen.

Speaker C:

Dat is heel spannend, want ik doe dat meestal niet zelf, maar nu gaan we dat eens zelf doen.

Speaker B:

Doe je dat met een lepel, een pollepel, een scheplepel, een platte?

Speaker C:

Ik heb een grote soeplepel waarmee je soep schenkt eigenlijk. En ik heb een trechter in inox speciaal bestemd om confituurpotten te vullen. Je kunt dat eens keukenspeciaal zaken, ik weet niet of ze het bij de IKEA of zo hebben.

Speaker A:

Misschien boven de kom wel.

Speaker C:

Dat kan. Het is eigenlijk een trechter in de vorm van een kopje koffie. En onderaan zit er dus een gat. Dus je zet dat gewoon op een confituurpot. Ik zet eerst de niveau detector erop. En dan zet ik die trechter erop. En nu staat mijn eerste pot klaar. Pas op voor de spetters en mannen.

Speaker B:

Ja, we staan er niet vlak tegen.

Speaker C:

Ik ga mijn andere potten al.

Speaker B:

Moet ik nog wat roeren of niet?

Speaker C:

Ik ga dat doen, ja. Ik ga wel eens naar mijn klok kijken.

Speaker A:

Ik denk dat het tijd is hoor, Lucie.

Speaker D:

Ja? Ja.

Speaker B:

15.07. Ja, de drie minuten zijn voorbij.

Speaker C:

We gaan het vuur uitzetten.

Speaker D:

Ja.

Speaker B:

En dan wordt het spannend, hè, Lucie? Dus dan ga ik ervan uit dat jij die pot heel kort bij jou. Dus de pot van de confituur heel kort bij je kookpot gaat zetten. Zodat je niet te veel kan.

Speaker C:

Ja, maar ik ga.

Speaker A:

We gaan haar een beetje laten concentreren. Ja?

Speaker C:

We gaan dat doen.

Speaker B:

Ik heb daar nu niet zoveel stress over. Nee, nee, nee. Het is ook wel een vaste massa, toch? Ja. Als dat lopend zou zijn, zou ik er meer...

Speaker D:

Ja. Oké.

Speaker B:

Ik denk dat ik al mijn eigen manier daar weer voor zou vinden om...

Speaker A:

Ze staan aan het aflikken, dus zo lang zal het al niet meer zijn.

Speaker B:

Of, Lucie, hou je die pot erboven of hoe doe je dat nu?

Speaker C:

Ik zet de pot gewoon op mijn kookvoer... Aan de rand van mijn kookvoer. En mijn potje confituur staat rechts. En ik schep met de soeplepel. Wat je wel moet weten is op voorhand aan je soeplepel voelen hoe je moet houden voordat er niks zou uitlopen.

Speaker B:

Ja, vooral van onderaan. Onderaan dat er soms wel een keer iets afloopt.

Speaker C:

Maar mijn potje, mijn trechter van mijn potje confituur staat echt wel tegen de rand van de kook. Voilà, ik ga hem nu in de trechter gieten, de eerste lepel. Maar het is stevige confituur.

Speaker B:

Hoe zou jij dat doen, Jusri? Ik heb al de indruk dat ik mijn potje boven de kookpot zou houden.

Speaker A:

Ik zou het wel schrikken, maar dat is anders.

Speaker B:

En als er nog iets afvalt.

Speaker D:

Voilà.

Speaker C:

Het zit vol.

Speaker B:

Ah ja, oké. Even voor de luisteraars. We hebben de niveaudetector van Jusri gebruikt. Jusri, leg nog eens even uit hoe dat in elkaar zit.

Speaker A:

Ja, eigenlijk is dat. We hebben het ook al gezien in de podcast van de Bruilijker, maar dat is eigenlijk iets dat je normaal gesproken gebruikt om te checken of je glas vol is. Dat is eigenlijk een klein toestelletje.

Speaker C:

Het moet iets getrager gaan, want de pot zit echt op het randje vol. Nu, dat mag voor de confituur, maar echt vol zou het niet mogen zijn.

Speaker D:

Dat zou ook vermogen.

Speaker C:

Voilà, mijn eerste pot is gevuld.

Speaker A:

Op het gemakstje.

Speaker B:

Ja, dus als je tas of je glas vol is, dan zegt hij: Het is vol. En dan zet je het op je tas of op je glas, Jussi.

Speaker A:

Ja, inderdaad.

Speaker B:

Dan voelt dat.

Speaker C:

Wacht, tweede lepel. Concentratie.

Speaker D:

Oh ja, stap.

Speaker C:

Super, ik heb al twee potten gevuld. Nu de derde.

Speaker B:

Lucie, een vraagje. Als je dat nu toch zou laten afkoelen, is het dan toch geen idee om dat te laten afkoelen en het zo erin te doen zodat je dan die niveau detector niet nodig hebt?

Speaker C:

Nee, dat mogen we niet doen met confituur.

Speaker B:

Omdat het anders minder lopend is of zo?

Speaker C:

Voor het bewaringsproces is dat.

Speaker B:

Ah, ja.

Speaker C:

Voilà, derde pot. Ik doe al mijn eerste schep erin.

Speaker D:

Tak, tak, tak.

Speaker C:

Ik heb twee kilo genomen, dus ik ga wel zeker acht potten vullen.

Speaker B:

Ja.

Speaker C:

Ik heb er negen klaargezet.

Speaker B:

Uiteindelijk, mensen. Ja, Lucie gaat nu die potten vullen. Uiteindelijk is het daarmee wel min of meer gedaan, denk ik, Lucie. Of moet jij daar nog iets mee doen daarna met die potten?

Speaker C:

Laten afkoelen.

Speaker B:

Ja, maar meer ook niet. Dus dan denk ik dat we het hierbij gaan laten.

Speaker C:

Het is belangrijk dat uw potjes. Echt tot aan de rand gevuld zijn.

Speaker B:

Ja, ja. En ja, waarom is dat dan? Omdat ook voor het bewaringsproces of voor iets anders.

Speaker C:

Deze zit eigenlijk niet vol genoeg.

Speaker B:

Nee.

Speaker C:

Wacht, ik ga.

Speaker A:

Ja, ik hoorde ook een ander piepje dat wel in de keuken dat het minder vol zat.

Speaker C:

Ja, hij mag nog een centimeter.

Speaker B:

Dus je vult die dan tot op de rand, omdat die dan makkelijker licht gaat? Of waarom?

Speaker C:

Voor het bewaringsproces.

Speaker B:

Ook bewaringsproces. Ah, oké.

Speaker C:

Dus dat moet goed vol zijn, er mag eigenlijk zo weinig mogelijk lucht aan.

Speaker B:

Ja, oké.

Speaker C:

En dan, als die pot vol is. Doe ik direct de tekstel erop en ik draai die direct goed vast. Sommige mensen zetten die dan ook nog eens ondersteboven, die pot. Dat dat goed luchtdicht is aan de hand. Maar dat doe ik eigenlijk niet.

Speaker B:

Maar ik denk eigenlijk dat we het hierbij kunnen laten.

Speaker A:

Ik denk dat ook. Misschien toch nog heel even, want we zijn zo begonnen over die niveaudetector. Misschien moeten we daar nog even afmaken.

Speaker B:

Ja, uiteindelijk had het wel ongeveer gezegd.

Speaker A:

Ja, inderdaad. Het is handig voor kokend water, maar dus ook als je confituur wil maken. Lucy, voor jou heeft het toch wel dienst bewezen?

Speaker B:

Zeker, zeker.

Speaker C:

Dus ik heb mij nog niet verbrand.

Speaker D:

Nee.

Speaker A:

Voel je eigenlijk, dat is misschien nog een interessante vraag, heb je ergens aan gevoeld als je dit allemaal aan het doen was? Of hoe ga je eigenlijk stapsgewijs dan te werk?

Speaker C:

Nu ben ik zo, want er blijft wat confituur in mijn hand rechter hangen, dus ik voel met mijn vinger of dat hem goed is doorgelopen bijvoorbeeld. Dat kan geen kwaad. Kunnen jullie eigenlijk.

Speaker A:

Dus dat belt u niet. Het is niet oké. Nee.

Speaker C:

Niet met uw volle vinger erin. Oh ja, voilà.

Speaker D:

Zo.

Speaker B:

Terwijl Lucie de potten aan het vullen is, gaan wij onze luisteraars goeiedag zeggen. En Lucie laat ze voortwerken. Dank je wel, Lucie, voor de uitleg. We gaan het ons laten smaken. En tot de volgende Blind Proof.

Onze nieuwe podcaster Lucy maakt rabarberconfituur met verrassend weinig ingrediënten. We gebruiken minder suiker en voegen pectine toe om de confituur mooi te laten opstijven. Je ontdekt ook welk deel van de rabarber je precies gebruikt, en hoe je de potten achteraf veilig en blindvriendelijk vult.

ingrediënten:

2 kg rabarber

700 gram rietsuiker

2 zakjes pectine

1 citroen

Benodigdheden:

een grote kookpot zonder deksel

een snijplank

een mandoline (optioneel)

een niveaudetector en een trechter om de potten te vullen

een pollepel

Dank om te luisteren! Heb je nog vragen, opmerkingen of suggesties, contacteer ons dan zeker.

[email protected]

Find out more at https://blindproef.pinecast.co