Tarte tatin
Lucy maakt tarte Tatin, de beroemde omgekeerde appeltaart. Ze laat ons kennismaken met haar bijzondere manier om appels te schillen en legt uit hoe ze die bakt. Welke appelsoort gebruik je het best? Hoe leg je het deeg in de bakvorm en hoe weet je wanneer het voldoende gebakken is? Ook afkoelroosters komen aan bod. En dan volgt natuurlijk het spannendste moment: de taart omkeren zonder brokken te maken.

Transcript
Hey iedereen, welkom bij een nieuwe podcast van Blindproof in de keuken van Lucie met Steven en ook Jusserie. Hallo. En natuurlijk Lucie, dag Lucie.
Speaker B:Hallo, hallo.
Speaker A:We gaan iets maken, ik hoop dat ik het juist zeg.
Speaker C:Ja?
Speaker A:Tarte tatin.
Speaker B:Goed, Jusserie.
Speaker C:Bravo!
Speaker A:Ik zou heel eerlijk zeggen niet weten wat het echt betekent.
Speaker C:Als ik je zou zeggen het is een voorgerecht, zou je mij geloven of niet?
Speaker A:Nee.
Speaker C:Nee, een tarte tatin is een dessert.
Speaker A:Nee, dat is een taartje, maar wel een taartje tatin.
Speaker C:Ja. Het is blijkbaar genoemd naar twee zussen die ooit een taart bakten die er omgekeerd uitkwam. Dus het is eigenlijk een omgekeerde appeltaart. Ja. Daarnaar is het genoemd, blijkbaar.
Speaker B:De zusjes-tatai.
Speaker A:Waarom zit er dan geen pom in of zo?
Speaker C:Ja, omdat ze tatai heten.
Speaker A:Ah, oké, oké. Dus het is eigenlijk een beetje vernoemd naar hun. Oké, interessant. En we hebben de specialist. In huis vandaag, die dat al eens een paar keer gemaakt heeft. Lucy, wat hebben we er eigenlijk allemaal nodig en hoe gaan we te werk gaan?
Speaker B:Ik ga het op een hele eenvoudige manier maken. Ik heb appeltjes, ik heb een rol bladerdeeg uit de winkel, en ik heb een beetje kaneel en ik heb een beetje rozijntjes. En het is eigenlijk echt heel gemakkelijk als je een keer onverwachts bezoek krijgt en je hebt Je hebt zo niet de tijd of niet de mogelijkheid om naar de bakker te gaan, kun je dat heel gemakkelijk maken. Dus ik heb wel die rolbladerdicht standaard in mijn diepvriezer zitten.
Speaker C:Ja, daar heb ik straks nog heel veel vragen over.
Speaker B:Oh, echt?
Speaker C:Ik vind dat verschrikkelijk.
Speaker B:Ja? Oh, ik ga hem al eens misschien ineens in mijn handen stoppen. Dan kunnen we iets voelen of dat eruit komt.
Speaker C:De mensen die ooit naar onze podcast in het begin geluisterd hebben, naar onze eerste weten waarom.
Speaker B:Kijk, dit is de rol.
Speaker C:Ja, ik herken hem.
Speaker B:Trauma, trauma. Een plastic en daar zit een karton. En dan daarin zit een rol bladerdicht op een papieren vel. Dus bakpapier eigenlijk.
Speaker C:Heb je die nu rechtstreeks uit de vriezer genomen?
Speaker B:Uit de diepvriezer.
Speaker C:Uit de diepvriezer. Maar die al lang eruit of nog niet?
Speaker B:Ik denk al twee uur of zo.
Speaker C:Al twee uur toch? Ja, oké.
Speaker A:Maar is hij nog. Ik ga eens voelen.
Speaker B:Hij is al een toontje.
Speaker A:O ja, ik kan niet meer zeggen dat dat in een diepvries is.
Speaker B:Nee, nee, nee. Die gaan we serieus gebruiken.
Speaker A:Die gebruikt hij ook helemaal.
Speaker B:Ah ja. Ik ga allereerst beginnen met mijn appeltjes te schillen.
Speaker A:Hoe doe je dat?
Speaker C:Met een dun schiller? Met een mesje?
Speaker B:Nee, ik neem een aardappelmesje en ik snij mijn appel eerst in twee. In mijn hand. Dan heb ik een halve appel, ik doe het steeltje eruit en nu snij ik de halve appel nog eens in twee. Van het putje tot aan het kroontje. En nu ga ik, dus heb ik een veel dikke van de appel, en nu ga ik het klokkaas dat er nog in zit eruit snijden.
Speaker C:Ja, je ziet dat doen wij toch wel anders. Als volledig blind doe je dat toch anders.
Speaker A:Maar zie je dat ook nog allemaal?
Speaker B:Nee, ik doe dat op het gevoel. Voilà, nu ga ik eens laten voelen, Steven, wat ik nog heb van de appel. Dus dat is zo'n stukje. Het klokkaas is eruit. Maar dan heb ik nog schil. Er zijn mensen die graag met de schil bakken. Ik vind dat niet lekker. Dus ik schil de appel.
Speaker A:Dat doe je dan ook weer met de patatenmesje?
Speaker B:Allemaal met de patatenmesje.
Speaker A:Dat kan ik niet zien.
Speaker B:Nee, nee, ik ook niet.
Speaker A:Ik doe dat altijd met een mes.
Speaker B:Kijk, ik glij met mijn mes en ik hou met mijn duim. Voel maar. Dus ik glij zo en ik... Pas op hè.
Speaker C:Ja, knap.
Speaker B:En ik ga even bewegen.
Speaker A:Ja, het is...
Speaker B:Ik glij met mijn duim. Hou ik dat mes eigenlijk tegen?
Speaker A:Nee, bij mij is dat echt de duim.
Speaker B:Het zit tussen het mes en mijn duim.
Speaker A:Oké, knap. Bij mij is dat echt de duim. Ik heb daar een dun schilder, een appelboor voor nodig.
Speaker C:Appelboor ook.
Speaker B:Ja, maar Azawer, ik doe ze gewoon.
Speaker C:En ik laat het steeltje er ook aan, omdat ik dan weet dat die appelboor net in het midden moet staan van dat steeltje. En dan kan ik het klokhuis er echt goed uit halen. Want zoals jij doet, nee, dat lukt me niet. Maar het is best wel voor.
Speaker B:Kijk, het is al klaar, dat stuk. Voel maar.
Speaker C:Ja, snap ik.
Speaker B:En nu ga ik er schijfjes van snijden.
Speaker C:Ja, ja.
Speaker B:Dus ik heb hier een propere kom en ik ga. Zo.
Speaker C:Ik ga straks voelen als je gesneden hebt. Dat ik nu niet met mijn handen.
Speaker B:Nee, geen accidenten. Voilà, voel maar.
Speaker C:Ja, dat zijn mooie schijfjes.
Speaker B:Alsjeblieft. Kijk, ik zal nu eens laten tonen. Dus, oppas op. Ik heb hier dat mes. Ik ga zo het klokken eruit snijden.
Speaker C:Ja, ja. Voilà.
Speaker A:Dat zijn waarschijnlijk jaren ervaring met appels, denk ik. Want die denken van hoe doet ze het? Ik geef dat eerlijk toe.
Speaker B:Ja, ik heb niet zo'n heel scherp mes. Dat is wel een aardappelmesje, maar dat is niet. Allee, als je daarmee uitschuift, kun je wel snijden, maar het is niet echt scherp.
Speaker A:Ja, ik denk wel dat het inderdaad voor zoiets als een appel is dan wel ideaal. Maar ik zou bijvoorbeeld nooit beginnen met een aardappelmesje te gebruiken om echt zo paprika's of zo te snijden. Dus dat doe ik dan weer minder of zo. Dan heb ik liever een groter mes.
Speaker B:Voilà, tweede stuk.
Speaker A:Ja.
Speaker B:De andere helft kan je nog wel even zielen.
Speaker C:Ja, dat gaan we niet blijven opnemen.
Speaker B:Ik heb hier wel vier appels klaargelegd. Ja, oké. Ik denk dat dat wel nodig is voor zo'n grote taart. Ik heb een ronde taartvorm, wat is dat, 24 centimeter of zo? Zo met ribbeltjes aan de zijkant.
Speaker C:Een springvorm, of wel?
Speaker B:Een springvorm is waar je de bodem kunt uithalen, is dat toch?
Speaker C:Ja.
Speaker B:Nee.
Speaker C:Nee.
Speaker B:Dat is niet nodig, want mijn taart is ondersteboven.
Speaker C:Ah ja, dat is waar.
Speaker A:Dus ik heb je nog nooit met dat patat en mesje als je appels aan het schillen was, in je vinger gesneden.
Speaker B:Ik kan me dat niet herinneren dat dat onlangs gebeurd is ofzo.
Speaker A:Misschien verdronken. Waarschijnlijk. Nee, knapper is het niet.
Speaker B:Ik zal nooit zeggen nog nooit. Ik heb misschien wel al eens een keer gesneden, maar dat gebeurt eigenlijk heel zelden. Maar ik controleer met mijn duimen.
Speaker A:Ja. Ik ben er zeker van dat er ook blinde luisteraars denken zoals ik en Steven en anderen die zeggen: Ja, ik doe dat ook hoor.
Speaker B:Dat is ieder zijn handigheid en ieder zijn manier. Ik heb ook zo'n apparaatje om de appels op te sprikken, waar je dan aan draait en dan komen die daar gesneden en geschild uit.
Speaker C:Ja, en geschild ook.
Speaker B:Ja, en geschild ook. Maar ik. Ik vind dat lastig als die appel niet helemaal recht is gegroeid. Dan komt hij eruit met nog stukken klokken.
Speaker C:Ja, dat heb ik soms ook wel voor met die appelboor die ik dan heb. Als je dat niet goed in het midden steekt, dan komt daar nog.
Speaker B:Dan draait hij scheef ook erop.
Speaker A:Maar als het zo kan, is het beter.
Speaker B:Mooi, ja. Tuurlijk.
Speaker A:Goed, maar dan gaan we even u laten schillen. En zoiets zijn we terug.
Speaker B:Tot zoiets.
Speaker C:Lucy, de appels zijn geschild, gesneden, klokkaas eruit gehaald. Dus klaar voor gebruik. Wat gaan we nu doen?
Speaker B:Nu gaan we een beetje bakboter nemen.
Speaker C:Ja, je gaat ze bakken.
Speaker B:Ik ga de appeltjes bakken in de pan. Het idee is eigenlijk dat je een metalen pan neemt en dat je die dan daarna in de oven zet. Maar ik doe dat niet, omdat mijn metalen pan vind ik te klein is. Voor een taart.
Speaker C:Het zijn ook vier appels.
Speaker A:Dat vind ik wel interessant. Heb je veel gerechten waarvan je zegt: Oké, ik heb een metalen pan en je kunt dat daarna ook het best. Dus dat is eerst dat je dat dan bakt op het vuur en dan verder laat garen in de oven.
Speaker B:In de oven met een deeg, maar ik doe dat niet. Dus dat is het idee van Tartatin: dat je eigenlijk je pan gebruikt als taartvorm ook. Maar ik doe dat niet, want mijn pan is te klein, vind ik. Dan heb ik maar een klein taartje en dan heb ik te veel deeg. Rol bladerdicht ziet wel een grote lap. En dus ik neem gewoon mijn tefalpan. Ook gemakkelijk, want dan bakken de appeltjes niet aan. Ik zet die op. Ik heb er boter in gedaan. Een goede klont boter. En ik ga die laten smelten. En als de boter gesmolten is, dan ga ik er mijn appeltjes bij doen. Dan ga ik daar af en toe een keer in roeren met een houten lepel. Dat alles gelijkmatig blijft stoven. Vlak voordat het compot wordt eigenlijk, want dat willen we niet. Blijven, zet ik het af. En ik ga ook helemaal op het einde, dat heb ik er straks niet gezegd, ga ik er een klein beetje suiker ook onder doen.
Speaker C:Ja, dat het ook wat karamelliseert een beetje. Het kan waarschijnlijk ook niet zo'n kwaad als je de appels iets minder zacht laat worden, want dat gaat nog in de oven ook. Ja, ja, ja.
Speaker B:Dus nee, nee, die mogen nog wakker op kant blijven. Maar het mag geen kompot worden, want dan verliest het zijn. Eigenlijk wordt dat in de oven wel wat kompotten op. Ja, ja.
Speaker C:Dus voilà.
Speaker B:Ik ga, wat ga ik nemen? Een platte houten lepel. Geen lepel, maar zo'n houten spatel ga ik nemen.
Speaker C:Ja, spatel.
Speaker B:Als ik hem vind, hè?
Speaker C:Om alles straks goed te mengen ook nog.
Speaker B:Om de appeltjes natuurlijk te kunnen opnemen. Om hem te draaien.
Speaker C:Dat alles de onderkant ook eens van boven ligt en zo.
Speaker B:Ik ga er al eens mee mijn boter.
Speaker C:Ja, ik doe dat ook altijd. Dat die boterappels smelt. Dat die overal zo'n beetje is.
Speaker A:Je houdt ook zo dat dat vuur constant een beetje aan het. Ah, ja.
Speaker C:En die gaan er stil aan bij mogen, denk ik.
Speaker B:Ja, ik ga er nog een beetje het schuim laten weg. We zullen de appeltjes er al bij doen. Zo. Ik pak de kom en ik kiet ze gewoon op.
Speaker A:Ja, dat is inderdaad zeer efficiënt en snel gebeurd.
Speaker B:Goed gedaan, hè?
Speaker C:Ja. Ik heb niks naast.
Speaker B:Ik zal eens voelen rond mijn pan. Dat kan niet kwaad, want dat is niet warm.
Speaker C:Nee, dat is inductie.
Speaker A:Inductie. Bij andere vuren zou ik dat niet mee.
Speaker B:Budge je nog pas zo net? Mokken voelt dat wel zacht.
Speaker A:Ja, ja, ja, ja, ja.
Speaker B:Je kunt er wel op je zenuwstel goed vertrouwen. Ja. Zo. Voilà, nu zijn die lekker aan het pakken.
Speaker A:Ja.
Speaker B:La la la la la. Je moet altijd ook zingen als je bezig bent, anders mislukt het. Ja.
Speaker C:Lucy, we ruiken de appels nu al.
Speaker B:Ja, ik ga het misschien een klein beetje zachter zetten.
Speaker C:Ja, dat ze niet aanbakken of te hard.
Speaker B:Nu ga ik een keer onder die appel schippen. Ik ga ze eens omdraaien. Wat ik doe, ik ga u tonen. Dus ik schip met mijn andere hand, controleer ik aan mijn bovenkant dat er niks uitruikt.
Speaker A:Ja, ja.
Speaker B:Dus ik schip langs de onderkant en ik ga met mijn hand erboven.
Speaker C:Een beetje zoals ik vlees omdraai eigenlijk.
Speaker B:Waarschijnlijk.
Speaker C:Ja, dus met de vorm eronder en de bovenkant vastnemen. Dit is ongeveer, ja.
Speaker B:Maar altijd goed zien dat je.
Speaker C:Ja, ja, die niet verbrandt.
Speaker B:Oei, er is een appel naast gegaan.
Speaker A:Ja, voilà.
Speaker B:Het is al gebeurd, zeg. Voilà. Maar ik heb hem maar al terug ingeweten.
Speaker C:En ja, soms doe ik dat ook wel een beetje met mijn hand qua controle. Dan ga ik hem natuurlijk niet verbranden, maar dan zie ik wel dat de bovenkant van onder ligt en de onderkant van boven. En dat alles een beetje.
Speaker B:Als je snel een keer voelt met je vingers en op tijd wegtrekt. Voilà.
Speaker A:Ik kan ook niet zeggen dat ik dat nog nooit op die manier heb gedaan.
Speaker B:Nee, het is een beetje plan trekken hè?
Speaker A:Ja, ik vind het ook wel moeilijk om te weten van elk stukje of het allemaal goed is omgedraaid.
Speaker B:Soms blijft er een appeltje aan mijn schip hangen. Dan wrijf ik dat eraf met mijn andere vingers.
Speaker C:En je kijkt af en toe of er niks aan de rand is. Van de pan hangt waarschijnlijk ook. Ja, kan wel eens gebeuren.
Speaker B:Ik duw ze dan terug naar de middag. Voilà, we gaan die nog even slapen bakken. Dan heb ik hier zo'n houdertje voor mijn houten lepel. Dus kan je dat houten schepje daarin zetten. Dan wordt mijn haar echt niet te vuil. Nu, nog een belangrijk detail: dus eigenlijk het soort appel dat je gebruikt. Er zijn appelen die meer geschikt zijn. Zijn voor compot. En dan zijn er meer appelen die geschikt zijn om zo te eten. En voor dit receptje zou ik de hardere appels, de Jonagoldappels bijvoorbeeld gebruiken. Want de compotappels, de renetten, die gaan te snel in compot vallen.
Speaker A:Die gaan ook rapper uit elkaar vallen misschien.
Speaker B:Ja, die gaan wel meer. Maar ik denk dat we er bekend zijn. Ik ga ze niet te hard bakken.
Speaker C:Nee, ik denk dat ze tussen de 4 en 5. Ik denk dat ze vijf minuutjes erin hebben gelegen nu, als ik kan schatten. Ja, ik denk het.
Speaker B:Wacht, ik ga eens een stukje.
Speaker C:Ja, probeer eens een stukje.
Speaker B:Het is eigenlijk nog wel redelijk krokant, hè? Ja. Maar ze gaan toch nog in de oven bakken, hè?
Speaker C:Ja, daarom.
Speaker B:Wat denk je?
Speaker C:Ik zou ze niet te zacht laten worden.
Speaker B:Nee, hè? Oké. Ga er dan misschien nu een beetje suiker over strooien?
Speaker C:Doe je er nu al kaneel bij of niet?
Speaker B:Nee, dan ga ik ze niet... Oh, dat maakt... Ja, eigenlijk maakt dat niet uit, hè? Ik zou wel zeggen, voor mensen die geen suiker mogen hebben, dat hoeft niet, die suiker. Je kunt dat gerust weglaten.
Speaker C:Het is om te karamelliseren, dus.
Speaker B:Dus het mag ook zonder. Dan heb je eigenlijk alleen het zoet van de appelen en de deeg. Dat is eigenlijk ook goed. Ik doe er nu, ik zou zeggen, anderhalve soeplepel suiker op. Dat is meer dan genoeg. Misschien al te veel.
Speaker C:En dan gaat dat goed mengen nu met die appels.
Speaker B:Ik ga nog een scheuringen rammelen.
Speaker C:Dan wordt dat zo meer een beetje een siroopje zo. Een klein beetje, ja.
Speaker A:Een beetje smeugen nog.
Speaker B:Ik heb het vuur, jullie horen dat misschien niet, maar ik heb het wel lager gezet.
Speaker A:Ik zou gedacht hebben dat er zoveel suiker daarbij is.
Speaker B:Raakt je de suiker?
Speaker C:Een beetje.
Speaker A:Maar is dat ook niet omdat er ook zoveel wat suiker is? Sapvrij komt nog steeds van de appelen, waardoor het ermee begint te sissen.
Speaker C:Dat zou wel eens kunnen.
Speaker A:Ja, nu raakt ik de suiker wel in.
Speaker B:Dat ruikt niet zo lekker, je hebt gelijk. Ja. Dat ruikt niet zo lekker. Nee.
Speaker C:Maar dat is karamelliseren, hè jongens.
Speaker B:Ja, sorry, sorry.
Speaker C:Dat hoort er wel bij.
Speaker B:Dat hoort erbij. We nemen het erbij. Nu gaan we ons geheim vertellen van het deeg. Ik zet de appeltjes uit. Dus, ik heb hier mijn bakvorm voor een keer. Daar moeten eigenlijk mijn appeltjes in komen. En mijn deeg gaan we er daarna bovenop doen.
Speaker C:Ja, want het is een omgekeerde taart.
Speaker B:Inderdaad, dus de deeg van boven, de appels van onder. Maar opdat die appels niet zouden plakken aan mijn bakvorm, ga ik daar bakpapier op leggen. Maar nu zit er toevallig bij dat bladerdeeg ook al bakpapier. Dus ik ga dat gebruiken.
Speaker C:Ja, snap ik.
Speaker B:Maar hoe ga ik dat nu doen? Ik ga. Ik neem een groot vergiet. Of een plastic kom. Een grote kom. Een grote plastic kom nemen. Kijk, zo deze. Sorry.
Speaker C:Ja, oké.
Speaker B:En ik ga mijn deeg openmaken.
Speaker C:Ja. Je moet die van die rol rollen.
Speaker A:En dus.
Speaker C:Als die deeg al een tijdje uit de vriezer is, wordt die toch plakkerig.
Speaker B:Ja, die is nu helemaal aan boord.
Speaker C:Maar is die dan plakkerig nu? Ga je die er makkelijk van krijgen?
Speaker B:Die is niet plakkerig. Is dat gevoelen, hè?
Speaker C:Dus ik ben ooit eens bij jou gekomen met een rol die drie uur uit de vriezer was, omdat ik naar jou moest komen. En ik kreeg die daar niet af en jij dan ook niet.
Speaker B:Oei, oei, oei. Nu krijg ik stress.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Nu krijg ik stress. Wacht, hoe gaan we dat oplossen? De stress. Wacht, we nemen alvast een mes. Ja, het mis van de boter van er juist.
Speaker C:Zo. Heb ik jou stress om te zorgen nu?
Speaker B:Ja, nu heb ik stress. Ja? Ah ja, nu mag ik dat niet meer slikken. Oké, en nu ga ik een keer met een deeg. Ik zal hem hier op kookvuur leggen. Voel hem maar een keer. Dus je voelt dat die neer, dat is het probleem.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Die plakt daaraan aan de papieren. Dus ik ga mijn mis nemen en ik ga daartussen de deeg en papier dan een beetje losmaken. Kijk een keer nu. Zo. Ja. Oké. Nu ga ik dat nemen. Ik ga dat deegsken nemen. En ik ga die over mijn kom hangen.
Speaker C:Ja. Een beetje zo even mee.
Speaker B:Volg maar. Dus ik neem de rol en ik doe die helemaal aan de zijkant van mijn kom.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Ik neem aan mijn linkerrand een deeg vast met het bakpapier. En aan de rechterhand rol ik hem af.
Speaker C:Ja.
Speaker B:En ik zorg ervoor dat die mooi over de rand van mijn kom hangt.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Voilà, oké. Zo, en dan als ze maar overhangt, wacht even, nog wat meer in het midden hangen. Zo, oké. Nu hangt mijn deeg hierover.
Speaker C:Ja, het is mooi.
Speaker B:Goed gedaan, hè?
Speaker C:Ja, absoluut. Het is al gelukt. Ja, het is toe.
Speaker B:Nu ga ik die deeg scheiden van het papier.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Dus ik ga die deeg, kijk, en ik ga het papier van rechts naar links trekken. Ik ga mijn deeg tegen en ik trek zo mijn papier.
Speaker C:Het gaat vlot, het gaat vlot.
Speaker B:Ja, absoluut. En nu hangt dat papier. Op de bodem van mijn bakvorm. Hij is eigenlijk wat te groot.
Speaker A:Schuur je dan een stukje af nu?
Speaker B:Nog niet. Ik ga eerst mijn appeltjes erop kieperen.
Speaker A:Ik ga eens even.
Speaker C:Nu, mij is altijd gezegd, want ik zie mij dan niet met dat mes onder dat deeg gaan om dat los te krijgen. Je haalt de deeg een half uurtje uit de frigo of uit de koelkast en dat is dan genoeg. En dan krijg je het er makkelijker af.
Speaker B:Als het ontdooit is, ja, dat kan wel.
Speaker C:Maar ik koop dat altijd in de winkel vrij vers, dat ik dat niet in de diepvries moet leggen.
Speaker B:Ah, zo op die manier.
Speaker C:En dan haal ik dat een half uurtje uit de frigo en dan krijg ik dat er veel makkelijker af.
Speaker B:Ja, dat is een goed idee. Voilà, ik heb mijn bakpapier in de bakvorm gelegd. Ja, ik heb hem goed.
Speaker C:Dat vind ik ook altijd een uitdaging om dat daar mooi in te krijgen. Maar je gaat straks de gewone stukken afscheuren als je merkt er is te veel.
Speaker B:Nee, misschien ook niet, want dat helpt mij ook wel om het eruit te halen. Dus ik weet nog niet of ik het er vanaf schuur.
Speaker C:Het ligt er mooi in.
Speaker B:Voilà, nu ga ik... Dus je moet zien dat het papier goed aan de randjes er ook tegen zit.
Speaker C:Ja.
Speaker B:En nu ga ik mijn appeltjes nemen.
Speaker C:Heel de vorm is bedekt.
Speaker B:En dan de warme pan. En ik keeper die in mijn bak voor. Ja. Zo, ik doe dat maar even. Ik keeper de pan om.
Speaker C:Zou ik ook doen.
Speaker B:Wat ik nu doe, maar dat is een beetje gevaarlijk misschien. Ik ga vlug met mijn vingers de overige stukjes.
Speaker C:Dat die overal.
Speaker A:Dat zou ik nu ook wel doen.
Speaker B:Heel vlug, ja.
Speaker C:Ik wou het net zeggen.
Speaker B:Die is eigenlijk een beetje te warm. Oké, ik begin nog een stukje. Ja.
Speaker C:Maar je kan ook gewoon nog vijf minuutjes wachten.
Speaker B:Je kunt ze inderdaad wachten tot het.
Speaker C:Tot het is afgekoeld.
Speaker B:Oh, en wat ik ook niet heb gedaan, ik had de pan ook gewoon van het vuur moeten halen.
Speaker C:Ja, oké.
Speaker B:Nu liggen mijn appelen erin, maar een beetje op een berg.
Speaker C:Ja, dus je moet die nu een beetje uitspreiden. Dat doe ik ook met mijn vingers hoor. Dan heb je daar meer controle over.
Speaker B:Inderdaad.
Speaker C:Zal ik het ook doen?
Speaker B:En dat hoeft niet allemaal mooi geschrank te liggen. Dat is een rap-rap taart, dus dat mag er rap-rap uitzien. Voilà. Zo, misschien een paar nog iets minder. Want hier is het qua gaten.
Speaker A:Want eigenlijk is het al bijna klaar.
Speaker B:Nee, nee, het moet nog in de oven.
Speaker A:Ja, maar ik bedoel gewoon wel je hele.
Speaker B:De voorbereiding.
Speaker A:De voorbereiding. Ja, ja, ja.
Speaker B:De voorbereiding is bijna klaar. Ik ben ze hier nog goed aan het leggen. Ja. Wat gaan we er nog bij doen? Marozijntjes?
Speaker A:Dat mag, kan zeker.
Speaker B:Mijn kinderen lusten dat niet graag.
Speaker C:Ik vind dat wel eens makkelijk.
Speaker B:Maar die zijn niet thuis. Nee. Dus we doen gewoon onze eigen kosting. Als ze het niet willen, dan moeten ze het maar aan mij geven. Oké. Misschien eerst dat kaneel erover.
Speaker A:Ja, ja.
Speaker B:Dat doe ik wel op mijn hand.
Speaker A:Ja, want kaneel kan rap te veel zijn ook wel.
Speaker B:Ja.
Speaker A:Vind ik. Dat is een heel specifieke, sterke smaak.
Speaker B:Lust jij dat niet graag?
Speaker A:Ik lust dat wel.
Speaker C:Ik ook wel.
Speaker A:Maar ik heb zo'n tante die dacht, ik ga het niet doen.
Speaker B:Nee, je mocht daar niet mee op.
Speaker A:Je strooit daarmee op pudding en alles.
Speaker C:Nee, want kaneel is een potje met hele kleine gaatjes. Bij mij toch? Ik schrik altijd hoe weinig daar dan uitkomt, maar als ik dat dan proef, dan denk ik: oh, het is toch wel de moeite.
Speaker B:Probeer ook maar te laten leiden. Ga er misschien niet te veel op doen, ik zal me al stoppen. Er zijn mensen die allergisch zijn aan kaneel.
Speaker C:Ja, ja.
Speaker B:Even nog eens afscholen, want die hangen nu vol kaneel. Oh ja, en het belangrijkste komt nog, dat is zeven, dat is eigenlijk van ons om deeg erop te krijgen. Ja. Dan wordt het toch spannend, hè?
Speaker C:Omdat je dan moet dat een beetje vervormen.
Speaker B:Ja, zo, die moet je mooi erover op de juiste plek. Ga er wat rozijntjes over strooien.
Speaker A:Ja.
Speaker C:Maar nu ja, je deeg is natuurlijk ook wel rond. Ja, en mijn bakvorm ook. Dat had misschien toch niet zo moeilijk mogen zijn, denk ik dan. Maar ik ken deeg. Meestal gaat dat niet zo snel.
Speaker A:Ik zal wel eerlijk toegeven dat dat bij mij ook niet zo goed gaat.
Speaker B:Hoe ga ik nu die deeg op die appelen krijgen?
Speaker C:Ja.
Speaker B:Ik heb mijn komdeeg.
Speaker C:Ik ga eens voelen.
Speaker B:Mijn appelen staan voor me. En mijn kom met een deeg erop staat daarachter. Dus ik ga gewoon die deeg afhalen. Nee, maar langs de achter eraf halen en dan pas op een steen. En dan over de bakvorm leggen.
Speaker C:Zo.
Speaker B:Oei, maar nu ben ik te ver. Ik ga even terug.
Speaker C:Voilà. Ja, ik zou dat ook zo gedaan hebben.
Speaker B:Wacht, maar nu is ze wat dubbel geplooit hier.
Speaker C:Ja, dat is altijd gevaarlijk.
Speaker B:Ja, maar dat komt wel goed. No stress. Nu ontplooien ik hem en ik leg hem. Dat plakt hem wel een beetje, maar je krijgt hem wel uit elkaar. Zo. Voilà, en nu moet ik die randjes mooi zo nu erin plooien dat die deeg alles goed bedekt.
Speaker C:Dus je wil zeggen de randjes inderdaad in de vorm plooien. Dus die hangt nu een beetje over de vorm en je gaat die nu naar binnen plooien. Ja, erin.
Speaker B:Voelt maar hoe ik het heb gedaan. Ja.
Speaker C:Dus nu ligt het een klein beetje dubbel. Langs binnen dan, toch?
Speaker B:Ja, hij ligt een beetje.
Speaker C:Maar dat kan niet zo'n kwaad.
Speaker B:De deeg is wat te groot. Ja, nog altijd. Maar zie je nu wat ik bedoel? Als ik die pan had genomen, dan had ik er nog veel meer deeg. Dan had ik er een stuk moeten afsnijden en dat vind ik dan ook zo.
Speaker C:Ik denk soms dat je aan de randen wel aan de ene kant wel eens een dikkere korst gaat hebben dan aan de andere.
Speaker B:Is dat erg?
Speaker C:Nee, dat is niet erg. Maar ik stel gewoon vast. Dus ik zou het misschien weer te mooi willen doen of denken van het.
Speaker B:Voilà.
Speaker C:Moet er goed uitzien?
Speaker B:Nee, dat hoeft niet.
Speaker C:Het zal er ook wel goed uitzien.
Speaker B:Moet ik eigenlijk nog vork nemen uit de schuif?
Speaker C:Ja, om te prikken.
Speaker B:Om te prikken erin?
Speaker C:In het deeg. Waarom is dat, Lucie? Waarom doe je dat?
Speaker B:Dat er de lucht onder de deeg zou zitten.
Speaker C:Dan ga je anders blaasjes krijgen.
Speaker B:Ja, dan komt hij eruit. Anders blaast hij heel die taart op.
Speaker C:Ja, dus niet vergeten.
Speaker B:Dus ik prik erin.
Speaker A:Wel heel belangrijk, inderdaad.
Speaker B:Vijf keer of zo, zes keer.
Speaker C:In het midden, in het midden en rondom rond. Overal een beetje.
Speaker B:Voilà, nu ga ik hem in de oven zetten.
Speaker C:Heb je die al voorgewarmd?
Speaker B:Nee, ik doe dat eigenlijk nooit. Oh, wacht, ik heb nog iets nodig: een grill.
Speaker C:Een rooster.
Speaker B:Nee, ik verwarm mijn oven niet op, omdat als ik dan dingen erin wil zetten, dan zijn ze al warm. En dan vind ik dat een beetje gevaarlijk.
Speaker C:Oké, doe dat dan weer wel, maar ik gebruik dan dikwijls overwanten. Of ik mik ook wel heel goed.
Speaker B:Ah ja, jij mikt goed. Ja. Maar ik doe het niet.
Speaker A:Dat is inderdaad waar.
Speaker C:En ga je dat rooster erin zetten?
Speaker B:Kijk, het stikt eruit. Dus ik heb dat op zo'n. Er is zo'n. Allee, je kunt dat eruit trekken.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Dus ik heb twee van die. Hoe moet ik dat nu zeggen?
Speaker C:Ja, ik snap het. Je hebt zo'n ding dat je eruit trekt, omdat je dan makkelijker de vorm erin kan zetten. Ik ga nu dat overig soortje bakpapier gewoon een beetje dubbel plooien.
Speaker B:Maar ik laat het er wel aan.
Speaker C:Het kan ook niet zo'n kwaad, het is bakpapier. De oven kan daar normaal wel tegen. Maar waarom ik het ook vooral vroeg: ik zou me kunnen inbeelden als die taart er straks uitkomt, dat je die op een rooster gaat willen leggen om dat te laten verlichten. Afkoelen. Gebruik je dan hetzelfde rooster of een ander? Nee, een ander. Dat wil ik eigenlijk zeggen, maar ik heb er maar één rond. Ja, dus ja.
Speaker B:Ik ga het al klaar, ik ga het al samen doen.
Speaker C:Want ik doe het rooster daar dan meestal uit, uit de oven. Zodat ik dat kan gebruiken voor het.
Speaker B:Ga je tonen wat je moet kopen, Steven? Want als je daar op je aanricht of zo zit, dat is ook heel warm. Dat is een beetje gevaarlijk.
Speaker A:Ik ga zo'n beetje ook eens voelen.
Speaker B:Dat is gewoon een rond.
Speaker C:Een grote onderligger eigenlijk, om het zo te zeggen.
Speaker B:Een rond metalen.
Speaker A:En daar ga je dan eigenlijk.
Speaker B:Daar zet ik mijn taart op vanaf de kool.
Speaker C:Ja, nu bij mij zat de muziek voor alles.
Speaker B:En ik heb er eigenlijk twee. Want als ik die taart eruit wil halen, dan zet ik de ene, dus de taart op dit rooster. Ik pak een ander rooster dat ik er onderstebovenop leg. En dan draai ik mijn taart op. Met de twee roosters. En dan haal ik dit eraf, de bakvorm eraf en mijn taartje ervoor.
Speaker A:Misschien nog eens de vorm goed beschrijven.
Speaker B:Het is dus eigenlijk een ronde, het is een afkoelrekje. Een ronde metalen.
Speaker A:Ja, ik snap wel dat dat wel gemakkelijk is.
Speaker B:Een spiraalvormig, zoals een onderleger, maar dan groter.
Speaker A:Ja. Toen ben ik ook wel een beetje denken aan een soort van pizza rooster. Dat je zo...
Speaker B:Het is echt gemaakt om gebak te doen afkoelen.
Speaker A:Ja, oké, cool.
Speaker B:Voilà. Ja.
Speaker A:Goed.
Speaker B:Zo. Nu staat... Oh, je moet misschien de minuutrie misschien eens opzetten.
Speaker C:En op hoeveel graden staat die nu?
Speaker B:Ik heb hem op 180 graden gezet.
Speaker C:Ja.
Speaker B:En ik ga... Ik ga... Wat gaan we zeggen? Ik ga hem 20 minuten opzetten.
Speaker A:Gij zet de taart te bakster. Wij hebben die nog niet gemaakt.
Speaker C:Ze gaat spreken.
Speaker B:Zet een wekker op twintig minuten. Twintig minuten en het aftellen begint.
Speaker A:Misschien een beetje.
Speaker C:Dan moeten we wachten, Lucie.
Speaker B:Ja, dan moeten we wachten. Tien minuten eruit komt, maar dat zal al goed zijn.
Speaker A:We zullen nog eventjes bang afwachten.
Speaker C:Nee, niet bang afwachten. Gewoon afwachten.
Speaker A:Oké, dan staat de tart tatin in de oven. In de oven en dan zijn wij zo meteen terug om nog eens te horen, Lucie, hoe jij die er gaat uithalen.
Speaker B:Ah ja.
Speaker A:Valakjes.
Speaker B:Tot zo.
Speaker A:Dus Lucie, de tartaatijn is klaar.
Speaker B:Ja.
Speaker C:Ze gaat hem nu uit de oven doen.
Speaker B:We gaan eens zien of ze genoeg gebakken is.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Dus nu is het vooral belangrijk dat het deeg goed gebakken is. En hoe weet je nu of dat deeg goed gebakken is? Dat is van eigenlijk het oven open te doen, even de warmte laten ontstaan.
Speaker A:Ja, dat komt helemaal tot hier.
Speaker B:En dan ga ik met mijn hand voelen bovenop het deeg. En ik voel dat het nog wat te vochtig is. Het is nog niet genoeg gekorst. Dus ik ga ze nog even erin laten.
Speaker A:Nog een minuutje of vijf?
Speaker B:Ja, toch zeker. Misschien zelfs nog langer.
Speaker A:Dus eigenlijk misschien als je de oven niet voorverwarmt, eerder een minuutje of drie. 30 dan een minuutje of 20.
Speaker C:Lucy, je hebt nu de timer nog eens wat gezet. We hebben wat horen gezet, we hebben dat gehoord. En nu ga je nog eens proberen de taart eruit te halen.
Speaker B:Ik ga nog eens checken of de taart genoeg gepakt is. Ja, ik denk dat het wel oké is.
Speaker A:Ja, dank u.
Speaker B:Anders, ja, ik denk dat het wel oké is.
Speaker A:Misschien moeten we er nog even bij zeggen dat we het er nog even over hebben gehad. En dat de conclusie is ook vooral: elke oven is anders. Het zou kunnen dat dat bij jou, als jij het probeert thuis, dat dat dan eerder 25 of 35. Dan ga je zelf ook een beetje moeten voelen.
Speaker C:Hoe heb je het gevoeld, Lucie? Hoe heb je het gevoeld in je thee?
Speaker B:Gewoon met mijn hand.
Speaker C:En hoe voelt dat thee dan aan als jij zegt van het is goed?
Speaker B:Hoe voelt dat aan? Een beetje hard, krokant.
Speaker C:Oké, en daarvoor is het meer vochtig.
Speaker B:Het is een zachtlader thee, dus dat maakt zo wat schilveren. Ja.
Speaker A:En daarvoor is het meer vochtig dan?
Speaker B:En daarvoor is het nog wat te slap.
Speaker A:Slap, oké.
Speaker B:En nu is het wat goed.
Speaker C:Ja, oké, mooi.
Speaker B:En ik ga, oké, voilà. En we gaan hem nu, ik ga hem nu mijn tweede afkoelrooster nemen.
Speaker C:Ja.
Speaker B:En ik ga dat nu ondersteboven op mijn taartvorm leggen.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Met de voetjes naar boven dus. Ik pak nu mijn tweede. Afkoelroosters en ik draai ze anders van boven.
Speaker C:Ja.
Speaker B:Voilà. Ik haal het afkoelroostertje eraf. Ik neem nu mijn overhandschoenen. Ik neem de bakvorm eraf die helemaal droog is. Want ik heb hier mijn bakpapiertje. Ik ga nu mijn bakpapier eraf drukken, maar ik ga het niet zo. Ik ga het heel dicht bij de taart houden en ik ga het naar mij toe trekken zodra er niks aan blijft plakken van mijn zijntjes of appeltjes of zo. Voilà, dat is ook gelukt. En nu staat mijn taart hier. Voilà, de appeltjes zijn mooi, hoe zal ik zeggen, een mooie massa geworden. Eigenlijk is ze denk ik wel goed gelukt. Ja. En ze gaan nu wat afkoelen op het taartrooster. En dan gaan wij straks lekker smullen.
Speaker A:Oké, voilà. Dus we zijn klaar met onze tarte tatin.
Speaker B:Ja.
Speaker A:Ik zou zeggen, Lucie, heel erg bedankt om dit zo mooi uit te leggen voor ons. Steven en ik zijn ook al heel benieuwd naar hoe hij die zal proeven.
Speaker C:Dat ruikt heel lekker ook.
Speaker A:En als er mensen nog vragen hebben, Steven, naar waar kunnen ze een mailtje sturen? Blindproof.gmail.com En kijken op de Facebook pagina om ons te contacteren.
Speaker C:We hebben ook een YouTube pagina, we hebben van alles. Maar het staat altijd in de mails die we versturen ook. Dus je vindt het allemaal wel makkelijk terug.
Speaker A:Dus ik zou zeggen, tot de volgende Blind Proof!
Lucy maakt tarte Tatin, de beroemde omgekeerde appeltaart. Ze laat ons kennismaken met haar bijzondere manier om appels te schillen en legt uit hoe ze die bakt. Welke appelsoort gebruik je het best? Hoe leg je het deeg in de bakvorm en hoe weet je wanneer het voldoende gebakken is? Ook afkoelroosters komen aan bod. En dan volgt natuurlijk het spannendste moment: de taart omkeren zonder brokken te maken.
benodigdheden voor 4 tot 6 personen:
4 appels
een rol bladerdeeg
een beetje bakboter
een paar eetlepels suiker (optioneel)
rozijntjes (optioneel)
kanneel (optioneel)
Dank om te luisteren! Heb je nog vragen, opmerkingen of suggesties, contacteer ons dan zeker.
Find out more at https://blindproef.pinecast.co